top of page

Waar ontving Johannes Walter in 1469 de reliek van Sint Vitus?

Floor Dijkstra
6 okt
4 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 7 okt

Reconstructie van het Capocci-reliekentabernakel in Santa Maria Maggiore en de situatie rond Johannes Walter in 1469
Historische reconstructie van het Capocci-reliekentabernakel in Santa Maria Maggiore en de situatie rond Johannes Walter in 1469. Reconstructie op basis van historische bronnen.

In 1469 ontving Johannes Johannis Walteri de Naerden in Rome een klein fragment van een reliek die aan Sint Vitus werd toegeschreven. De oorspronkelijke Naardense oorkonde, inventarisnummer 134.12, vertelt nu veel preciezer waar dat gebeurde: in de basiliek Santa Maria Maggiore.


De oorkonde wijst naar Santa Maria Maggiore

In de Latijnse tekst staat expliciet: “in basilica Beate Marie Maioris de Urbe”. Daarmee is de plaats van de overdracht duidelijk: de Basilica di Santa Maria Maggiore in Rome.

De akte beschrijft vervolgens hoe geestelijken zich begaven naar het “sanctuarium et tabernaculum in quo plures sanctorum reliquie existebant”: een heiligdom en tabernakel waarin relieken van verschillende heiligen werden bewaard.


Nieuwe bevestiging uit het archief van Santa Maria Maggiore


In oktober 2026 leverde het archief van de Basilica di Santa Maria Maggiore een belangrijke nieuwe aanwijzing. Archivaris dr. Severija Kubilius liet weten dat de relieken in 1469 naar alle waarschijnlijkheid werden bewaard in het dertiende-eeuwse Altare delle Reliquie, dat rechts van het toenmalige hoofdaltaar stond. Dit sluit nauw aan bij de Naardense oorkonde van 1469, waarin wordt beschreven hoe men naar het sanctuarium et tabernaculum ging waarin relieken van meerdere heiligen werden bewaard.


Dit Altare delle Reliquie moet worden onderscheiden van de latere Cappella del Crocifisso. Het middeleeuwse reliekentabernakel, dat in 1256 door Giacomo Capocci en zijn vrouw Vinea was geschonken, stond in de tijd van Johannes Walter bij het toenmalige koor en hoofdaltaar. Bij de ingrijpende veranderingen van de basiliek in de achttiende eeuw werd deze middeleeuwse opstelling ontmanteld. Onderdelen van het oude tabernakel, waaronder porfieren zuilen, kregen later een plaats in de Cappella del Crocifisso, die ook als reliekenkapel ging functioneren.


Dat maakt een tweede mededeling van dr. Kubilius bijzonder interessant. Negentiende-eeuwse reliekenlijsten van Santa Maria Maggiore vermelden beenderen (ossa) van Sint Vitus in de Cappella del Crocifisso. De locatie van de Sint-Vitusrelieken was toen dus niet meer dezelfde als in 1469.


Er ontstaat daarmee een duidelijke historische ontwikkeling: in 1469 bevonden de relieken zich waarschijnlijk in het middeleeuwse Altare delle Reliquie, waar Johannes Walter zijn kleine Vitusreliek ontving. Na de latere verbouwingen werd de oude reliekenopstelling opgeheven en werden relieken in de Cappella del Crocifisso ondergebracht. In de negentiende eeuw zijn daar daadwerkelijk beenderen van Sint Vitus gedocumenteerd.


Dit bewijst echter niet dat de in de negentiende eeuw genoemde beenderen exact dezelfde reliekvoorraad vormden als die waaruit Johannes Walter in 1469 zijn fragment ontving. Wel toont het aan dat Santa Maria Maggiore ook eeuwen later nog lichamelijke relieken bezat die aan Sint Vitus werden toegeschreven.


De oudere documenten van Santa Maria Maggiore bevinden zich in het Fondo Santa Maria Maggiore van de Biblioteca Apostolica Vaticana. Het vervolgonderzoek richt zich daarom op de vraag wanneer de Sint-Vitusrelieken in de basiliek terechtkwamen, waar zij vandaan kwamen en of de overgang van het middeleeuwse Altare delle Reliquie naar de latere Cappella del Crocifisso in de archiefstukken kan worden gevolgd.


Een monumentaal reliekentabernakel

Het woord ‘tabernakel’ kan gemakkelijk een verkeerd beeld oproepen. Het ging hier niet om een klein kastje, maar waarschijnlijk om een monumentaal, vrijstaand marmeren ciborium: een klein architectonisch bouwwerk binnen de basiliek.

In 1256 hadden Giacomo Capocci en zijn vrouw Vinea een groot reliekentabernakel aan Santa Maria Maggiore geschonken. Het bouwwerk rustte op zes zuilen en was rijk versierd met gekleurde marmersoorten en geometrische Cosmateske mozaïeken. In de bovenbouw bevond zich de ruimte waarin relieken werden bewaard.


Een ooggetuige, slechts negentien jaar vóór Walter

Een bijzonder aanknopingspunt is het verslag van de Florentijn Giovanni Rucellai. Hij bezocht Santa Maria Maggiore tijdens het jubeljaar 1450, slechts negentien jaar vóór Johannes Walter. Rucellai beschreef twee prachtige tabernakels op zuilen bij het marmeren koor. Een daarvan bevatte vele relieken van heiligen.

Die beschrijving past opvallend goed bij de formulering in de Naardense akte van 1469. Daarom is het zeer waarschijnlijk dat de geestelijken voor Johannes Walter het Capocci-reliekentabernakel openden. De oorkonde noemt Capocci echter niet bij naam; deze identificatie blijft daarom een historisch onderbouwde waarschijnlijkheid en geen absoluut bewijs.


Guillaume d’Estouteville

De akte noemt ook Guillelmus, bisschop van Ostia, kardinaal en aartsbisschop van Rouen. Dit is vrijwel zeker kardinaal Guillaume d’Estouteville. Hij was in deze periode aartspriester van Santa Maria Maggiore. Zijn toestemming voor de overdracht is daarom institutioneel van groot belang: de reliek werd niet informeel meegenomen, maar met toestemming van hoog kerkelijk gezag overgedragen.


Rome – Johannes Walter – Naarden

De route van deze reliek kan voor 1469 nu met grote zekerheid worden weergegeven als: Santa Maria Maggiore in Rome → Johannes Walter van Naarden → de Sint-Vituskerk in Naarden.

Daarnaast kennen we voor Naarden een tweede, afzonderlijke overdracht. In 1499 gaf de abt van Corvey toestemming om een deel van het lichaam van Sint Vitus naar Naarden over te brengen. Naarden kende in de late middeleeuwen dus ten minste twee gedocumenteerde Vitusreliektradities: Rome in 1469 en Corvey in 1499.


Hoe oud was de Romeinse reliek?

Dat is de volgende onderzoeksvraag. We weten nu zeker dat in 1469 in Santa Maria Maggiore een reliek aanwezig was die als lichaamsreliek van Sint Vitus werd beschouwd. Nog onbekend is wanneer en langs welke route deze reliek in de basiliek terechtkwam.

Het Historisch Archief van Santa Maria Maggiore wordt daarom benaderd met de vraag of middeleeuwse reliekeninventarissen, kapittelregisters of andere documenten van vóór of rond 1469 vermeldingen bevatten van Sanctus Vitus, Sancti Viti, reliquiae Sancti Viti of corpus Sancti Viti.


Een reconstructie, geen foto uit 1469

Op basis van historische beschrijvingen, de gravure die Paolo De Angelis in 1621 publiceerde, latere tekeningen en bewaard gebleven onderdelen kan het Capocci-tabernakel tegenwoordig vrij goed worden gereconstrueerd. Een moderne reconstructie van de overdracht aan Johannes Walter moet echter nadrukkelijk als reconstructie worden gezien: zij laat zien hoe de situatie er waarschijnlijk uitzag, maar is geen eigentijdse afbeelding van de gebeurtenis.


Waarom deze vondst belangrijk is

De oorkonde 134.12 verbindt Naarden rechtstreeks met een van de belangrijkste basilieken van Rome. In combinatie met de kennis over het middeleeuwse reliekentabernakel krijgen enkele regels Latijn daardoor een tastbare omgeving: we kunnen steeds beter reconstrueren waar Johannes Walter stond en uit welk soort reliekenschat het fragment voor Naarden afkomstig moet zijn geweest.

Onderzoek: Floor Dijkstra – Historisch Naarden. Dit verhaal wordt bijgewerkt wanneer nieuwe gegevens uit Rome of andere archieven beschikbaar komen.

Opmerkingen


bottom of page