
De 22 altaren van de Grote Kerk van Naarden – geloof, gilden en broederschappen
Bijgewerkt op: 2 okt
Vóór de Reformatie was de Grote Kerk van Naarden een rijk ingerichte katholieke Sint-Vituskerk. Uit de historische bronnen blijkt dat de kerk omstreeks 1569 in totaal ongeveer 22 altaren telde: één hoogaltaar en circa 21 zijaltaren. Niet van ieder altaar is de exacte plaats in het kerkgebouw bekend. Daarom is het belangrijk onderscheid te maken tussen wat rechtstreeks is gedocumenteerd en wat op reconstructie berust.
Hoe komen we aan 22 altaren?
De reconstructie op basis van de kerkvisitatie van 1569 en later onderzoek komt uit op 21 zijaltaren. Die kunnen worden verdeeld in acht vicariealtaren, zeven gilde- of broederschapsaltaren en zes officiealtaren. Samen met het hoogaltaar levert dat het bekende totaal van ongeveer 22 altaren op.
Gedocumenteerde altaren en devoties
Sint-Jacob: fundaties vanaf 1423.
Sint-Jan: fundaties vanaf 1447.
Sint-Nicolaas: fundaties vanaf 1465.
Heilig Kruis: broederschapsaltaar, gedocumenteerd vanaf 1470.
Onze Lieve Vrouwe: verbonden met een Mariabroederschap; in de bronnen rond 1506 duidelijk zichtbaar.
Sint-Quirinus: verbonden met het vollersgilde, vanaf 1508.
Sint-Severus: verbonden met het weversgilde, vanaf 1511.
Zoete Naam van Jezus: verbonden met schoen- en kleermakers, vanaf 1521.
Sint-Anna: als vicariealtaar vóór 1569 genoemd.
Sint-Agatha: eveneens verbonden met de laatmiddeleeuwse altaar- en devotiecultuur van de kerk.
Was er een afzonderlijk Sint-Vitusaltaar?
Sint Vitus was de patroonheilige van de kerk. Bovendien zijn verschillende documenten over zijn relieken bewaard gebleven. In 1469 werd een voor Naarden bestemd reliek in Rome verkregen. In 1499 gaf de abt van Corvey opdracht een deel van het lichaam van Sint Vitus naar de Grote Kerk van Naarden over te brengen. Documenten uit de daaropvolgende jaren verbinden aflaten aan de verering van Sint Vitus en zijn relikwieën. Deze gegevens maken duidelijk dat de reliekverering rond 1500 een belangrijke plaats in het religieuze leven van de kerk innam. Zij vertellen echter niet waar in de kerk de relieken werden vereerd.
In de bronnen is een Sint-Vitusvicarie bekend. Een afzonderlijk Sint-Vituszijaltaar is daardoor aannemelijk, maar zolang geen primaire bron de precieze altaarplaats en de relieken met elkaar verbindt, kunnen we niet stellen dat de Corveyse of Romeinse relieken daar daadwerkelijk werden bewaard. Ook een mogelijke bewaring bij het hoogaltaar of in een afzonderlijke reliekhouder — waaronder eventueel het later genoemde zilveren Sint-Vitusbeeld — blijft vooralsnog een onderzoeksvraag.
Het bewaard gebleven Kruisigingspaneel
Van de middeleeuwse altaarinrichting is één bijzonder schilderij bewaard gebleven dat aantoonbaar uit de Sint-Vituskerk van Naarden afkomstig is: de Kruisdood van Christus, omstreeks 1495-1504, uit het atelier van de Meester van de Kruisafneming van Figdor. Het paneel bevindt zich tegenwoordig in Museum Catharijneconvent te Utrecht, inventarisnummer ABM s51.

De voorstelling van de Kruisiging sluit opvallend goed aan bij het gedocumenteerde Heilig-Kruisaltaar, dat vanaf 1470 in de bronnen voorkomt. Daardoor is het verleidelijk het paneel met dat altaar te verbinden. Vooralsnog ontbreekt echter een document waarin expliciet staat dat dit specifieke paneel bij het Heilig-Kruisaltaar hoorde. We behandelen dit daarom als een serieuze werkhypothese.
Van de Grote Kerk via de katholieke schuilkerk naar Utrecht
De herkomstgeschiedenis van het bewaard gebleven kruisigingspaneel blijkt langer in Naarden door te lopen dan alleen de middeleeuwse Sint-Vituskerk. Uit de tot nu toe geraadpleegde gegevens blijkt dat het paneel na zijn verblijf in de Grote Kerk in bezit is gekomen van de katholieke schuilkerkgemeenschap van Naarden. Daarmee is het niet rechtstreeks na de Reformatie naar Utrecht verdwenen.
De katholieke gemeenschap van Naarden maakte na de Reformatie gebruik van een schuilkerk in de Bussumerstraat. In 1835 verhuisde de parochie naar een nieuwe katholieke Sint-Vituskerk aan de Turfpoortstraat. Het is aannemelijk dat oud parochiebezit, waaronder mogelijk het kruisigingspaneel, bij die verhuizing is meegegaan. Voor het paneel zelf is deze stap tussen 1835 en 1872 echter nog niet met een primaire inventaris of overdrachtsstuk bewezen.
In 1872 schonk de toenmalige pastoor van Naarden, Cornelius Richardus Vermolen, het paneel aan het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht. Vermolen was sinds 1862 pastoor in Naarden en vertrok in 1873 naar Hilversum. De schenking vond dus tijdens zijn Naardense pastoraat plaats. Het Aartsbisschoppelijk Museum was juist in deze periode actief bezig oude katholieke kunst te verzamelen en voor verlies te behoeden. Of dit ook Vermolens concrete motief voor de schenking was, is nog niet uit een brief of schenkingsakte vastgesteld.
De voorlopige provenance kan daarom worden weergegeven als: Grote/Sint-Vituskerk → katholieke schuilkerk van Naarden → mogelijk de katholieke Sint-Vituskerk aan de Turfpoortstraat → schenking door pastoor Vermolen in 1872 → Aartsbisschoppelijk Museum Utrecht → Museum Catharijneconvent.
Deze geschiedenis is van bijzonder belang voor het onderzoek. Als uit de archiefstukken blijkt dat het paneel binnen de Naardense katholieke gemeenschap steeds is doorgegeven, vormt het een zeldzame materiële verbinding tussen de middeleeuwse Sint-Vituskerk en de latere katholieke parochie van Naarden. Nader onderzoek bij Het Utrechts Archief en Museum Catharijneconvent moet vooral de periode 1835–1872 en de precieze aanleiding voor de schenking van 1872 verduidelijken.
Wanneer verliet het paneel de Grote Kerk?
Het exacte moment waarop het kruisigingspaneel uit de Grote Kerk verdween, is nog niet bekend. Op grond van de huidige gegevens is de periode circa 1572–1580 een aannemelijke werkhypothese. In deze jaren werd de katholieke inrichting van de kerk getroffen door de godsdienstige en politieke omwentelingen. Mogelijk werd het paneel tijdens of kort na de gebeurtenissen van 1572 veiliggesteld, of bij de latere verwijdering van de katholieke kerkinrichting uit de kerk genomen.
Dat het schilderij later eigendom was van de katholieke schuilkerkgemeenschap van Naarden is daarbij een belangrijke aanwijzing. Het maakt aannemelijk dat het paneel binnen de plaatselijke katholieke gemeenschap bewaard is gebleven. Wie het uit de Grote Kerk heeft meegenomen, in welk jaar dit gebeurde en waar het in de eerste periode daarna werd bewaard, is nog niet aangetoond.
Voorlopig kan de provenance daarom worden gereconstrueerd als: Grote/Sint-Vituskerk (ca. 1500 – vermoedelijk 1572–1580) → katholieke gemeenschap van Naarden → katholieke schuilkerk → mogelijk Sint-Vituskerk aan de Turfpoortstraat → pastoor Vermolen → Aartsbisschoppelijk Museum (1872) → Museum Catharijneconvent.
Deze reconstructie is voorlopig en wordt aangepast zodra het onderzoek in Het Utrechts Archief of de collectieadministratie van Museum Catharijneconvent nieuwe gegevens oplevert.
Waar stonden de altaren?
De exacte volgorde van de 21 zijaltaren is niet overgeleverd. Waarschijnlijk stonden verschillende altaren in of langs de kooromgang en op andere vaste altaarplaatsen in de kerk. De gewelfschilderingen bieden extra aanwijzingen: gilden lieten hun beschermheiligen en beroepssymbolen afbeelden en hadden vaak een altaar in de nabijheid. Door documenten, gewelfvakken en gildepatronaten te combineren kan de ruimtelijke reconstructie stap voor stap worden aangescherpt.
Nieuw archiefonderzoek – stichting van het Maria-altaar in 1488
Nieuw onderzoek van SSAN015 134.19 en 134.19A maakt het Maria-altaar aanzienlijk beter documenteerbaar. De twee Latijnse oorkonden vormen samen het dossier betreffende de stichting van het Maria-altaar in de Grote Kerk in 1488. 134.19 is een uitvoerige notariële akte met notariële onderschrijving en signa; 134.19A is een bisschoppelijke oorkonde van David van Bourgondië, bisschop van Utrecht, voorzien van een rood wassen hangzegel.
De stukken wijzen erop dat het niet alleen ging om het plaatsen van een altaar, maar om een duurzame altaarfundatie met een daaraan verbonden geestelijke voorziening. In de teksten zijn bepalingen herkenbaar over stichting, presentatie of voordracht, kerkelijke toekenning en opvolging wanneer de functie vacant werd. De volledige persoonsnamen, financiële voorwaarden, liturgische verplichtingen en de precieze plaats van het altaar in de kerk zijn nog niet met voldoende zekerheid uit de foto's te reconstrueren. Voor de reconstructie van de 22 altaren kan het Maria-altaar daarom voortaan als documentair aangetoond in 1488 worden beschouwd.
Aanvulling uit de kerkrekening van 1571
SSAN015 inv.nr. 135.1 geeft aanvullende informatie over het functioneren van altaren en de liturgie in de Grote Kerk rond 1571. De rekening noemt onder meer een betaling aan “den dienaer van sinte wernerts altaer”. Daarmee is voor dit heiligenaltaar niet alleen een naam overgeleverd, maar ook een concrete financiële en organisatorische functie in de kerk.
Dezelfde rekening noemt kerkpersoneel zoals pastoor, rector, custos, zangmeester en organist en bevat uitgaven voor was, kaarsen en olie. Ook staat er een betaling van 3 stuivers aan “de dragers van sinte vitus”. Wat deze dragers precies droegen wordt niet vermeld. De post is daarom bewijs voor een actieve Sint-Vitusverering, maar niet op zichzelf voor een processie met het zilveren Sint-Vitusbeeld. Inv.nr. 135.4 moet nog worden onderzocht zodra dit stuk beschikbaar komt.
Voorlopige conclusie
Rond 1569 kende de Grote Kerk van Naarden waarschijnlijk één hoogaltaar en circa 21 zijaltaren. Een deel daarvan kan bij naam worden gedocumenteerd. Een afzonderlijk Sint-Vituszijaltaar is aannemelijk, maar de exacte ligging en de bewaarplaatsen van de in 1469 en rond 1499–1501 gedocumenteerde Vitusrelieken zijn nog niet bewezen. Het bewaard gebleven Kruisigingspaneel uit Museum Catharijneconvent vormt een zeldzame tastbare verbinding met de verdwenen middeleeuwse altaarinrichting.
Onderzoekstatus: dit artikel wordt bijgewerkt wanneer nieuwe gegevens uit de visitatie van 1569, fundatiebrieven, kerkelijke rekeningen of archiefonderzoek beschikbaar komen.
Nieuw archiefonderzoek – herbouw rond 1468
SSAN015, inv.nr. 134-11, is gedateerd 16 augustus 1468. De archiefomschrijving brengt deze oorkonde in verband met toestemming van bisschop David van Bourgondië voor de opbouw van de verbrande kerk, het verplaatsen van altaren en de wijding van een nieuw doopvont. De oorspronkelijke tekst is op de ontvangen foto’s plaatselijk sterk beschadigd; deze inhoud is nog niet volledig onafhankelijk getranscribeerd.
De oorkonde vormt daarmee een belangrijk aanknopingspunt voor onderzoek naar herbouw en inrichting. Zij stelt op zichzelf niet vast op welke dag de brand plaatsvond, welke afzonderlijke altaren zijn verplaatst of waar zij daarna stonden. Ook de omvang van de schade blijft nader te onderzoeken.
Een volledige transcriptie van de Latijnse tekst is aangevraagd. Tot die beschikbaar is, baseren we deze aanvulling uitsluitend op de officiële archiefomschrijving en blijven details over afzonderlijke altaren en een eventuele vermelding van Sint-Vitus open voor nader onderzoek.

Opmerkingen