Hoe kwam Nardinclant in 968 bij het Stift Elten?
In 968 verschijnt Nardinclant — het gebied dat later als Naardingerland en het Gooi bekendstaat — in een keizerlijke schenking die van groot belang is voor de vroege geschiedenis van Naarden. De oorkonde verbindt het gebied met het vrouwenstift Elten aan de Rijn en vormt daarmee een belangrijke volgende stap na de Werdense vermelding van Naruthi rond 900.
Graaf Wichman en de stichting van Elten
Graaf Wichman van Hamaland stichtte in de jaren 960 op de Eltenberg een vrouwenklooster. Zijn dochter Liutgard werd de eerste abdis. Wichman beschikte over omvangrijke goederen en rechten in Hamaland, Salland en verder naar het westen. Het nieuwe klooster werd door hem met een deel van deze bezittingen uitgerust.
De oorkonde van 29 juni 968
Op 29 juni 968 bevestigde keizer Otto I de schenking. In de overgeleverde tekst staat dat het klooster te Elten goederen kreeg die Wichman als beneficium had gehouden en die keizerlijk eigendom waren. Daarbij worden uitdrukkelijk de graafschappen Nerdinclant en Hammelant genoemd. De vorm Nerdinclant wordt algemeen in verband gebracht met het latere Nardinclant of Naardingerland.
Het oorspronkelijke stuk is niet bewaard gebleven. Van de tekst bestaan latere afschriften. In het archief van St. Martinus te Elten bevindt zich onder nummer A 097 een vijftiende-eeuwse kopie; de oorkonde is ook uitgegeven door Theodor Joseph Lacomblet in zijn Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins, nr. 110.
Wat veranderde er voor Naardingerland?
De bron is belangrijk omdat zij laat zien dat Nardinclant in de tiende eeuw deel uitmaakte van een veel groter netwerk van adellijke, keizerlijke en kerkelijke rechten. Met de schenking werden rechten die met Wichman en het keizerlijk gezag verbonden waren onderdeel van de goederenbasis van Elten. Daarmee kreeg een Rijnlands vrouwenstift een duurzame relatie met het gebied van het latere Gooi.
We moeten daarbij voorzichtig formuleren. De oorkonde van 968 zegt niet dat de kerk van Naarden op dat moment aan Sint-Vitus was gewijd en evenmin dat Elten de kerk van Naruthi heeft gesticht. De kerk bestond volgens het Werdense goederenregister immers al rond 900. De bronnen tonen dus verschillende lagen van rechten en invloed.
Waarom Sint-Vitus belangrijk wordt
Juist twee jaar later wordt de verbinding met Sint-Vitus bijzonder interessant. In 970 wordt de kerk van Elten in een keizerlijke bevestiging verbonden met de heilige Vitus. Daardoor liggen vanaf 968–970 drie elementen naast elkaar: Nardinclant, het Stift Elten en de Sint-Vitusverering. Dat is nog geen bewijs dat Elten het Sint-Vituspatrocinium aan Naarden heeft gegeven, maar het maakt die mogelijkheid historisch relevant.
Een band die eeuwen bleef bestaan
Dat de relatie tussen Elten en Naardingerland niet slechts een kortstondige bezitsschenking was, blijkt uit een veel latere oorkonde. Tussen 1176 en 1186 sloten het Stift Elten en het Kapittel van Sint-Jan te Utrecht een overeenkomst over het personaat van Naardingerland. Beide instellingen mochten beurtelings een persona benoemen. Elten oefende dus eeuwen na de schenking van 968 nog aantoonbare kerkelijke rechten in het gebied uit.
Voorlopige conclusie
De oorkonde van 968 vormt een sleutelstuk in de geschiedenis van het vroege Naardingerland. Zij bewijst niet dat Elten de Sint-Vitusverering naar Naarden bracht, maar zij verklaart wel hoe Elten een institutionele positie in het gebied kon krijgen. Wanneer we deze bron combineren met Elten als Sint-Vitusstift vanaf de tiende eeuw en met de gedeelde kerkelijke rechten uit 1176–1186, ontstaat een samenhangende onderzoekslijn die nader archiefonderzoek verdient.
Bronnen
Bistumsarchiv Münster, Pfarrarchiv Elten St. Martinus, Kopiare A 097: vijftiende-eeuws afschrift van de oorkonde van Otto I van 29 juni 968. Theodor Joseph Lacomblet, Urkundenbuch für die Geschichte des Niederrheins, nr. 110. Voor het vervolgonderzoek zijn daarnaast de bestanden AA 0231 (Elten, Stift, Urkunden), AA 0232 (Elten, Rep. und Hs.) en AA 0233 (Elten, Stift, Akten) van het Landesarchiv Nordrhein-Westfalen van bijzonder belang.

Opmerkingen