top of page

Naardingerland in 1280: een overdracht met een lange voorgeschiedenis

Floor Dijkstra
18 sep
6 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 19 sep

Voorlopig verhaal voor Historisch Naarden · Opsteller: Floor Dijkstra

In mei 1280 veranderde de bestuurlijke positie van Naardingerland, het gebied waarin het middeleeuwse Naarden lag. Twee oorkonden, gedateerd 6 en 13 mei 1280, vormen belangrijke aanknopingspunten om die verandering te onderzoeken. Maar wie het verhaal van Naardingerland wil begrijpen, moet verder terug in de tijd. De abdij van Elten en het Utrechtse kapittel van Sint-Jan hadden al vóór 1280 belangen bij de kerk en haar geestelijke.

Een kerk tussen Elten en Utrecht

Een oorkonde uit de periode 1176–1186 laat zien dat de kerk van Naardingerland betrokken was bij een geschil tussen het vrouwenstift Elten en het kapittel van Sint-Jan in Utrecht. Het geschil ging over de benoeming van de persona: de geestelijke die aan de kerk verbonden was en bepaalde kerkelijke rechten en inkomsten genoot.

Volgens de bekende beschrijving van deze oorkonde werd een regeling getroffen waarbij Elten en Sint-Jan elkaar bij de benoeming afwisselden. De kerk van Naardingerland stond dus niet los van de grote kerkelijke instellingen buiten het Gooi. Zij maakte deel uit van een netwerk van rechten, inkomsten en benoemingen dat al in de twaalfde eeuw bestond.

Dit is een belangrijk gegeven voor de geschiedenis van Naarden. Het laat zien dat de kerkelijke organisatie van het gebied ouder is dan de latere stad Naarden op haar huidige plaats. De oorkonde noemt echter niet aantoonbaar Sint-Vitus als patroonheilige van de kerk.

Wat veranderde er in mei 1280?

De oorkonden van 6 en 13 mei 1280 markeren een volgende fase in de geschiedenis van Naardingerland. Zij moeten worden gelezen tegen de achtergrond van de overgang van rechten en gezag over het gebied.

Daarbij is één onderscheid essentieel: wereldlijk gezag over een gebied was niet hetzelfde als het bezit van kerkelijke rechten. Een overdracht van Naardingerland betekende daarom niet automatisch dat alle rechten van Elten of het kapittel van Sint-Jan op de kerk, haar benoemingen en haar inkomsten vervielen.

Juist dit maakt de twee oorkonden zo interessant. Om precies vast te stellen wat in mei 1280 overging en wat eventueel voor Elten of Sint-Jan behouden bleef, moeten de bepalingen van beide akten naast elkaar worden gelegd. Zolang hun volledige tekst niet is gecontroleerd, kunnen we daarover geen definitieve conclusie trekken.

De kerk van Naarden bestond in 1299

Een oorkonde van 21 juli 1299 biedt een volgend vast punt. Daarin verklaren de schout en schepenen van Gooiland dat de pastoors of rectoren van de kerk van Naarden sinds onheuglijke tijden de tienden van Muiderberg als onderdeel van hun inkomsten hadden ontvangen. De toenmalige geestelijke wordt genoemd als Lambertus Codde.

Deze verklaring bevestigt dat de kerk van Naarden aan het einde van de dertiende eeuw een gevestigde instelling was, met rechten die volgens de getuigen veel verder teruggingen. De oorkonde bewijst op zichzelf niet welke patroonheilige de kerk toen had.

En waar past Sint-Vitus in dit verhaal?

Sint-Vitus was de patroonheilige van het stift Elten. Dat biedt een historische verklaring voor de verspreiding van zijn verering in het Gooi. Het is verleidelijk om de band tussen Elten en de kerk van Naardingerland rechtstreeks te verbinden met het latere Sint-Vituspatrocinium van Naarden.

Toch moeten we hier onderscheid maken tussen een aannemelijke verklaring en een bewezen feit. De tot nu toe onderzochte twaalfde- en dertiende-eeuwse stukken tonen de kerkelijke banden met Elten en Utrecht, maar leveren nog geen gecontroleerde, expliciete vermelding op van de kerk van Naarden als ecclesia Sancti Viti — kerk van Sint-Vitus.

De gedocumenteerde verwerving van een Sint-Vitusreliek uit Rome in 1469 bewijst dat de verering in Naarden toen een bijzondere betekenis had. Zij vertelt ons niet wanneer Sint-Vitus voor het eerst patroonheilige van de kerk werd.

Voorlopige conclusie

De oorkonden van mei 1280 staan niet op zichzelf. De twaalfde-eeuwse regeling tussen Elten en Sint-Jan en de verklaring over de kerkelijke inkomsten uit 1299 laten zien dat Naardingerland een lange geschiedenis van kerkelijke rechten kende.

De volgende onderzoeksvraag is daarom niet alleen wie in 1280 het gezag over Naardingerland verkreeg, maar ook welke rechten op de kerk, de benoeming van haar geestelijke en haar inkomsten bij Elten en Sint-Jan bleven berusten. De precieze bewoordingen van de oorkonden van 6 en 13 mei 1280 moeten daarvoor nog worden gecontroleerd.

Onderzoeksverantwoording: dit is een voorlopig artikel. De institutionele voorgeschiedenis en de oorkonde van 1299 bieden historische aanknopingspunten; de specifieke rechtsgevolgen van beide akten uit mei 1280 zijn hier nog niet als vaststaand weergegeven. Het artikel wordt aangevuld zodra de volledige teksten zijn vergeleken.

De oorkonden van mei 1280: uitgezonderde rechten

De Latijnse teksten van 6 en 13 mei 1280 laten zien dat de abdis van Elten Naardingerland aan Floris V en zijn erfgenamen in erfelijke pacht uitgaf tegen 25 pond Utrechtse penningen per jaar, te betalen op 11 november. De uitgifte was ruim, maar niet zonder uitzonderingen.

De inkomsten of betalingen die de Eltense kanunniken in Naardingerland ontvingen, bleven uitdrukkelijk buiten de overeenkomst. Floris en zijn erfgenamen moesten ervoor zorgen dat de betalingsplichtigen deze inkomsten op de vanouds gebruikelijke tijdstippen, plaatsen en in de gebruikelijke munt bleven voldoen. Ook de goederen die leenmannen van de abdis van haar in leen hielden, bleven buiten de uitgifte. Een uitzondering daarop vormden goederen die Gijsbert van Amstel zonder tussenkomst of toestemming van de abdis van die leenmannen had verworven: die werden juist aan Floris uitgegeven.

De akten beschrijven twee verschillende risico’s voor de voortzetting van de pacht. Bij het uitblijven van de jaarlijkse betaling gold een overeengekomen excommunicatie; bleef de graaf een heel jaar in die toestand, dan keerde Naardingerland aan Elten terug. Zijn erfgenamen moesten bovendien binnen een jaar na zijn overlijden de pacht opnieuw uit handen van de abdis ontvangen en de betalingsverplichting aanvaarden.

Een afzonderlijke oorkonde van 14 mei 1280 bepaalt dat Floris de overeenkomst mocht beëindigen als Gijsbert van Amstel hem Naardingerland op grond van een sterker recht zou ontnemen. De eenmalige betaling van 200 pond, verschuldigd op 25 juli, bleef dan wel verschuldigd en kon na betaling niet worden teruggevorderd. Deze voorwaarde is dus iets anders dan de terugval wegens wanbetaling.

Wat zeggen deze teksten over Sint-Vitus? In de hier onderzochte bepalingen worden de kerk van Naarden, haar patronaatsrecht en Sint-Vitus niet uitdrukkelijk genoemd. De voorbehouden inkomsten van de Eltense kanunniken mogen daarom niet zonder aanvullend bewijs worden gelijkgesteld aan tienden of benoemingsrechten van de Naardense kerk.

Bronnen: Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel IV, nrs. 1903 (6 mei 1280) en 1906 (13 mei 1280), blz. 89 en 93–95; nr. 1909 (14 mei 1280), blz. 99–100. De tekst van nr. 1909 is overgeleverd in afschriften; de editie vult beschadigde plaatsen aan uit een ander afschrift. Deze analyse blijft voorlopig waar de oorkonden geen uitsluitsel geven over afzonderlijke kerkelijke rechten.


Aanvulling op basis van oorkondenonderzoek (september 2026)


De oorkonden van 13 mei 1280 en 29 november 1281 verduidelijken hoe de verpachting van Naardingerland aan Floris V werd bekrachtigd. Abdis Gudelendis beloofde op 13 mei 1280 binnen een jaar een verzegelde verklaring van haar convent te bezorgen. De custos, kanunniken en kanunnikessen van Elten keurden de regeling op 29 november 1281 daadwerkelijk goed. Waarom de verklaring later kwam dan de toegezegde termijn, blijkt niet uit deze teksten.


Op 27 oktober 1285 deed Gijsbrecht van Amstel, mede namens zijn nakomelingen, afstand van zijn aanspraken op Naardingerland ten gunste van Floris V. De verzoeningsakte noemt ook zijn broer Willem, proost van Sint-Jan te Utrecht. Willems deelname als broer bewijst op zichzelf niet dat het kapittel van Sint-Jan rechten op de kerk van Naarden had. Een verklaring uit 1292 vermeldt bovendien opnieuw een geding tussen Gijsbrecht en de abdis van Elten; de precieze verhouding tot de afstand van 1285 is nog niet opgehelderd.


Een oorkonde van 21 juli 1299 biedt een afzonderlijk aanknopingspunt voor de kerkgeschiedenis. Schout en schepenen van Naardingerland verklaarden dat opeenvolgende pastoors van Naarden sinds onheuglijke tijden jaarlijks de volledige tiende van Muiderberg als onderdeel van hun priesterlijke prebende ontvingen. Zij noemen Lambert Kodde als de toenmalige persona van de kerk, die canoniek was aangesteld. De tekst zegt niet wie hem voordroeg en evenmin wat er na zijn aanstelling met de tiende gebeurde.


Deze gegevens tonen nog niet aan dat de in 1280 voorbehouden inkomsten van de Eltense kanunniken dezelfde waren als de tiende van Muiderberg. Evenmin leveren de onderzochte oorkonden rechtstreeks bewijs voor het patronaatsrecht van Elten of Sint-Jan op de kerk van Naarden, of voor Sint-Vitus als patroonheilige in deze periode. Het onderzoek naar deze kerkelijke rechten loopt door.


Bronnen: Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel IV, nrs. 1907 (13 mei 1280), 1988 (29 november 1281), 2237 en 2238 (27 oktober 1285); deel V, nrs. 2706 (15 maart 1292) en 3488 (21 juli 1299). De laatste oorkonde is ook uitgegeven in Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, deel V, nr. 2930, blz. 413.

Recente blogposts

Alles weergeven

Opmerkingen


bottom of page