Naardingerland tussen Elten en Sint-Jan – wie benoemde de geestelijke van Naarden?
Bijgewerkt op: 2 sep
Tussen 1176 en 1186 werd een opmerkelijke regeling getroffen tussen het vrouwenstift Elten en het kapittel van Sint-Jan in Utrecht over de kerkelijke rechten in Naardingerland. De overeenkomst laat zien dat de middeleeuwse machtsverhoudingen in het Gooi ingewikkelder waren dan een eenvoudige eigendomslijn van één instelling.
Een persona in de kerk van Naardingerland
In de overgeleverde regeling is sprake van een “persona in ecclesia de Nardingelant”: de geestelijke die aan de kerk van Naardingerland verbonden was. Uit historisch-geografisch onderzoek blijkt dat Elten deze persona aanvankelijk aanstelde, maar dat voortaan Elten en het kapittel van Sint-Jan beurtelings het benoemingsrecht zouden uitoefenen.
Dat gedeelde benoemingsrecht is belangrijk. Het wijst erop dat beide instellingen aanspraken hadden die niet eenvoudig naast elkaar konden worden gelegd. Elten bezat omvangrijke goederen en heerlijke rechten in Naardingerland, terwijl Sint-Jan eveneens kerkelijke en goederenrechtelijke belangen in het gebied had.
Was dit de kerk van Naarden?
De identificatie van de kerk van Naardingerland met de oudere kerk van Naarden is aannemelijk, maar moet voorzichtig worden geformuleerd. De Werdense goederenlijst vermeldt omstreeks 900 een kerk bij Naruthi. In de twaalfde eeuw verschijnt vervolgens de persona van de kerk van Naardingerland. Onderzoekers hebben deze gegevens vaak met elkaar verbonden, maar de bronnen geven geen ononderbroken documentair bewijs waarmee iedere tussenstap kan worden vastgesteld.
Ook de plaats van de latere Sint-Janskerk van Laren in deze ontwikkeling is onderwerp van discussie. Sommige reconstructies gaan uit van één vroege moederkerk voor een groot deel van het Gooi; andere studies benadrukken dat uit de filiatie van de latere parochies twee kerkfamilies zijn af te leiden. Voor Historisch Naarden is daarom vooral van belang onderscheid te maken tussen wat de oorkonde werkelijk zegt en wat latere onderzoekers daaruit reconstrueren.
Elten en Sint-Jan: gedeelde kerkelijke macht
De overeenkomst van 1176–1186 maakt in ieder geval duidelijk dat de kerkelijke organisatie van Naardingerland niet uitsluitend door Elten werd beheerst. Het benoemen van de persona werd een gedeeld recht. Daarmee ontstond een bijzondere verhouding tussen een rijksstift aan de Rijn en een Utrechts kapittel, beide met belangen in het Gooi.
Dat kerkelijke recht stond bovendien naast wereldlijke en economische rechten. De abdis van Elten bleef nog lang een belangrijke landsheerlijke en grondheerlijke positie in Naardingerland innemen. In 1280 verpachtte abdis Godelindis Naardinkland met toebehoren aan graaf Floris V voor jaarlijks vijfentwintig Utrechtse ponden. Daarmee verschoof de politieke machtsuitoefening verder richting het graafschap Holland, terwijl oudere rechten en inkomsten niet noodzakelijk in één keer verdwenen.
Waarom deze overeenkomst belangrijk is voor de geschiedenis van Naarden
De regeling vormt een belangrijke schakel tussen de vroege vermelding van Naruthi, de Eltense rechten in Naardingerland en de latere kerkelijke geschiedenis van Naarden. Zij laat vooral zien dat we niet moeten spreken van één eenvoudige overdracht van Werden naar Elten en vervolgens naar Holland. Verschillende instellingen konden tegelijkertijd verschillende soorten rechten bezitten: grond, tienden, rechtspraak, patronaatsrechten en het recht een geestelijke te benoemen.
Juist daarom is deze twaalfde-eeuwse overeenkomst zo waardevol. Zij biedt een zeldzame blik op de bestuurlijke en kerkelijke structuur van Naardingerland vóór de opkomst van het latere stedelijke Naarden.
Bronnen en literatuur
Voor deze bijdrage zijn onder meer gebruikt: de oorkondetraditie rond de overeenkomst Elten–Sint-Jan uit 1176–1186 (OSU I, nr. 492), historisch-geografische studies over Naardingerland en publicaties in Tussen Vecht en Eem. Voor de latere ontwikkeling is tevens de in het Nationaal Archief bewaarde akte van 1280 betreffende de verpachting van Naardinkland door abdis Godelindis aan graaf Floris V van belang.
Bronkritische opmerking: de verbinding tussen Naruthi omstreeks 900, de kerk van Naardingerland in de twaalfde eeuw en de latere parochies is gedeeltelijk een historische reconstructie. Waar de primaire bronnen geen volledige continuïteit bewijzen, is dat in deze bijdrage bewust als hypothese of waarschijnlijkheid weergegeven.

Opmerkingen